Over een bankje en vuilgebekte ratten

De protagonist van het schrijfsel dat u momenteel gadeslaat, luistert naar de naam zitbank. U denkt, ‘die man is gek’? Leest u even verder. Waar dit meubelstuk tot voor kort een ietwat triestig bestaan kende langsheen menig openbare weg, schittert het dezer dagen in een ‘verbindende’ campagne van het gemeentebestuur. Want, tromgeroffel, mejuffrouw zitbank is gepromoveerd tot dorpsgezicht en kent, dixit de gemeente: ‘een bijzondere functie’.

De gelukkige enkeling die erin slaagt de weg te vinden op de gemeentelijke website, kan er meer lezen over het initiatief en er zich verdiepen in de superkrachten van de bank. Niet enkel blijkt ze garant te staan voor ontspanning en schoonheid, ze verbindt kennelijk ook mensen. Met elkaar, de omgeving en het verleden.

Mogelijks bespeurt u enige vorm van spot in de ondertoon, doch vergis u niet. Op de rol van de zitbank in de verf zetten, heb ik bitter weinig tegen. Wel integendeel. Haar letterlijk de verf in duwen daarentegen, vormt een ander paar mouwen.

Vandaag moet u weten, viel namelijk het eerste slachtoffer in mijn buurt. De onschuldige bank in de schaduw van het prachtige rattenkasteel is ‘gepimpt’. ‘Ja en?’, denkt u. ‘Gaat u eens een kijkje nemen’, antwoord ik.

De eerste bedenking is voor discussie vatbaar. Op het bankje werden in schreeuwerige kleuren die in de groene omgeving als een tang op een varken passen, ratten gespoten. Mijns inziens staat noch de uitgehongerde wandelaar die er zijn broodje wenst te nuttigen, noch de rustzoekende natuurliefhebber daarom te juichen, doch ‘de gustibus et coloribus non disputandem est’, wisten de Romeinen al.

Wat mijn petje wel te boven gaat, is de opmerkelijke boodschap die de zitbank ‘siert’. En meteen de tweede bedenking vormt. Tussen de felgekleurde ratten werd namelijk het u welbekende f***-woord aangebracht. Ik heb allerminst de intentie om de rol van zuurpruim waar te nemen en heb er op zich weinig erg aan, doch ik vraag me af hoe dergelijk taalgebruik precies strookt met de positieve boodschap die men met het project beoogt te brengen. Is dit wat het gemeentebestuur begrijpt onder ‘verbindend’? Ietwat eigenaardig vind ik dat toch.

U beseft uiteraard dat ik om dit bankje geen ogenblik slaap laat. Ik kon het echter niet laten u op mijn kritisch oordeel over het ‘opgefleurde’ exemplaar te trakteren. En voor wat het waard is, mocht ik ooit een picknick overwegen, kies ik wel een ander bankje uit. Ik hoef geen vuilgebekte ratten aan tafel.

R.

Over het project: https://www.dezitbankalsdorpsgezicht.be/nl

Foto: https://www.dezitbankalsdorpsgezicht.be/nl/debankvaninge

Brussel maakt er een potje van

Nu het aantal besmettingen de spreekwoordelijke pan uit swingt en men ook in de ziekenhuizen stilaan in de puree komt te zitten, wordt in de Wetstraat de steekvlampolitiek uit de koelkast gehaald. Resultaat? Een paars-groene soep met een wel erg bittere nasmaak; de horeca gaat voor minstens een maand op slot. Vraag is echter waar deze nieuwbakken regering de mosterd haalt om de wetsgetrouwe horecaondernemer andermaal een wel erg gepeperde rekening te presenteren. En houden die kersverse maatregelen eigenlijk wel steek?

Van het suggestiebord is wat die eerste vraag betreft enige vorm van cijfermateriaal alvast te schrappen, dat is er namelijk niet. Het achterlaten van dierbare privégegevens, sedert enige maanden verplichte kost voor wie de horeca met een bezoek verblijdt, blijkt een maat voor niets. Officieel onderzoek is er niet, maar de eerste restaurateur of caféhouder die de beruchte gegevenslijst aan een of andere overheidsinstantie diende voor te schotelen, moet zich nog melden. Een zure vaststelling die aantoont dat men in Brussel niet bepaald geïnformeerd in de potten roert.

Of doen ze dat wel en bestaat er alsnog cijfermateriaal? In een interview met Radio 2 maakte Oost-Vlaams provinciegouverneur Carina Van Cauter recent wereldkundig dat nauwelijks één procent van de coronabesmettingen in Oost-Vlaanderen met horeca te maken heeft. Als die stelling klopt, biedt ze de scepticus van de nieuwe maatregelencocktail alvast eten en drinken.

Ook de wereldkeuken blijkt weinig soelaas te bieden. Cijfers die bij de Noorderburen uit de muur worden gehaald, leren dat slechts een magere drie procent van de vastgestelde besmettingen naar de horeca is terug te leiden. Niet bepaald overtuigend, me dunkt. En ook in talloze andere Europese landen lijken cafés en restaurants waar de hygiënevoorschriften worden gerespecteerd niet tot spectaculaire aantallen te leiden.

Conclusie? Niemand lijkt aan te kunnen tonen dat de horecasector een haard van infecties is. Sterker nog, nergens heeft men zich de afgelopen maanden zo sterk ingespannen om hygiënisch en veilig te kunnen opereren. Ruim 60.000 Vlaamse ondernemers, hun families en medewerkers bijten opnieuw in het zand. De schade van de vorige opgelegde sluiting is niet of nauwelijks verteerd en de volgende dient zich al aan. Voor de ene liggen grote verliezen in het verschiet, voor de andere dreigt de deur definitief dicht te blijven. Een buitengewoon zure appel. Een ongemeen harde klap.

Maar ook voor Jan Modaal is dit een niet te onderschatten taaie brok. De levensvreugde trekt zienderogen weg uit de samenleving. Juist in onzekere tijden als deze hebben mensen behoefte, nood zowaar, aan sociaal contact. Men zou in dat opzicht de horeca niet als een probleem, maar net als een deel van de oplossing moeten beschouwen. Als een veilig alternatief voor illegale bijeenkomsten en feestjes thuis waar de veiligheidsvoorschriften al eens vergeten worden. Maar ach.

De situatie is heel ernstig, maar men kan zich afvragen of deze loodzware maatregelen proportioneel en noodzakelijk zijn. Of ze de juiste zijn. En of het sop de kolen waard is. Ik vrees van niet. De nieuwe regering moest en zou daadkracht tonen, een signaal geven. Men kan slechts hopen dat spoedig wat gezond verstand wordt geserveerd en dat men de getroffen ondernemers meer dan een zuur appeltje tegen de grote dorst aanbiedt. Want zoals het er nu naar uitziet, maakt men er in Brussel andermaal een potje van…

RDV

Open brief aan Egbert Lachaert

Geachte voorzitter

Beste Egbert

Misschien herinnert u zich dat ik enige tijd geleden bezorgd in de pen kroop. Aanleiding daartoe was de bouwvallige toestand die het liberale huis teisterde. Teneinde het blauwe stulpje een flinke opknapbeurt te geven, sprak ik de wens uit dat zich spoedig een nuchtere klusjesman of -vrouw zou aanmelden. En als bij wonder, geschiedde ook zo. U, beste Egbert, kwam namelijk met een ‘puur blauw’ renovatieplan op de proppen en wist daarmee de harten van menig donkerblauwe goedzak met verhuisplannen voor zich te winnen. U gaf gehoor aan de onvrede over de eclectische opsmukwerken die het blauwe huis tot een doorzichtige villa hadden gemaakt waarvan de hippe glaspartijen omgekeerd evenredig waren geworden aan de inhoud ervan. U zou van de lege postjesdoos opnieuw een thuis maken voor de liefhebbers van minder lasten, minder regels en meer gezond verstand. En u zou tenslotte, de sleutel niet overhaast afgeven aan paars-groene huisjesmelkers.

Tot mijn spijt, beste Egbert, roept vandaag opnieuw de pen. Uitgerekend u en uw ‘team Egbert’, de voorvechters van een ‘puur blauw’ verhaal, zijn de architecten van het bedenkelijke wangedrocht dat weldra de eed aflegt. Een even megalomane als wankele bouwval waarin de lakens zullen worden uitgedeeld door rode en nog niet rijpe rode lastenminnaars. Hoe u het de komende uren en dagen ook moge draaien en keren, het cement dat het hele boeltje bij elkaar dient te houden, is samengesteld uit misprijzen voor de kiezer en ordinaire postjespakkerij. Het bewuste akkoord dat u recent finaliseerde, is een onsamenhangend en kleurloos geheel van zoethoudertjes voor de zeven sjacherende aannemers van ‘Home Vivaldi’. Amper een halfjaar geleden nog achtte u paars-groen enkel mogelijk als het partijprogramma van de groenen een rituele verbranding zou ondergaan. Helaas bleken uw eigen principes kennelijk lichter ontvlambaar.

U bleek tot mijn spijt niet meer te zijn dan een gewiekst makelaar. Ook ik trapte in de val. Met een aantrekkelijk verkooppraatje wist u de sleutel te bemachtigen van de gammele liberale keet om vervolgens schaamteloos en wagenwijd de deur open te zetten voor al datgene waar u zich als kandidaat-voorzitter fel tegen verzette. Puur blauw blijkt vooral puur grauw en staat voor hoogverraad in de Melsenstraat.

Dadelijk legt Alexander De Croo de eed af als syndicus van ‘Residentie Vivaldi’, en kan u trots terugkeren naar uw tekentafel in het blauwe salon. Doch ik stel me de vraag, beste Egbert, of u de bewoners van uw stulp nog recht in de ogen durft kijken. En ik vrees dat u er in 2024 af te rekenen zal krijgen met leegstand.

Hoogachtend en sans rancune,

Rein De Vries

Vanaf heden voormalig voorzitter Jong Vld Lievegem

MASKERMANOEUVRES

c7882328-cdb9-11ea-924c-a9b3bcaaf8a6_web_scale_0.4296875_0.4296875__

Graag vestig ik even uw aandacht op het onfortuinlijke lot dat menig oor heden ten dage beschoren is. Niet alleen dient het steeds vaker vervelende rekkertjes of snijdende touwtjes te verdragen, het wordt ook om de haverklap geconfronteerd met bedenkelijke symboolpolitiek in elkaar geknutseld door regeringen zonder meerderheid, meerderheden zonder regering en sinds kort ook stoere burgervaders en -moeders die zich maar wat graag in de kakofonie mengen. Om u van een eindeloos lijstje gestuntel en geklungel te sparen, richt ik mijn pijlen in dit schrijven op de lokale mondmaskermanoeuvres die steeds meer steden en gemeenten teisteren. De geïnteresseerden kunnen de overige knip- en plakwerkjes van de Wets- en Dorpsstraat ongetwijfeld in een of andere PowerPointpresentatie raadplegen.

Dat het uit God weet welke oorden overgewaaide virus geen lachertje is, is een beleefd uitgedrukt understatement. Andere koek is het echter wanneer men met enige vorm van kennelijk schaars gezond verstand de recentelijk opgedoken mondmaskerpolitiek onder de loep neemt. Al is de term ‘lachertje’ wanneer het dergelijk pijnlijk stuntelwerk betreft voor discussie vatbaar.

Zo u weet, druppelt het op de parking als het regent in ’t stad. Een gevleugelde weerspreuk die ook in crisistijden toepasselijk blijkt. De burgervader van Antwerpen acht het nuttig mondmaskers te verplichten in zijn door het virus stevig geplaagde grootstad en plots wordt ook de brave dorpsbewoner die tijdens een drukke ochtendspits vijf auto’s de voordeur ziet voorbijtuffen, verplicht een masker te dragen wanneer hij of zij die voordeur riskeert uit te gaan. Een bedenkelijk fenomeen dat bedenkelijk is onderbouwd.

Ten eerste bestaat er heel wat twijfel over het al dan niet nuttig wezen van de maskertjes in kwestie. Althans wanneer die in openlucht gedragen worden. Sterker nog, er bestaat simpelweg geen wetenschappelijk bewijs voor enige vorm van nut, getuigen de inmiddels vele grote onderzoeken die ernaar verricht zijn. De nuchtere Nederlandse OMT-voorman (simpelweg gesteld; de Marc Van Ranst onder onze noorderburen) verwees eerder deze week naar een respectabel Noors onderzoek om vervolgens het eventueel verplichten van mondmaskers op straat voorzichtig uitgedrukt met de grond gelijk te maken. Bovendien maakte men vermoedelijk gebruik van in realiteit zeldzame gewassen en gestreken exemplaren om tot bovenstaande conclusie te komen. Want ook op dat vlak wringt het schoentje al eens.

(https://www.fhi.no/globalassets/dokumenterfiler/rapporter/2020/should-individuals-in-the-community-without-respiratory-symptoms-wear-facemasks-to-reduce-the-spread-of-covid-19-report-2020.pdf)

Ten tweede valt op te merken dat het verplicht dragen van een masker een drastisch ingrijpen vormt in de persoonlijke levenssfeer. Een netelig nevenverschijnsel dat ongetwijfeld nog een juridisch staartje krijgt en eigenlijk op zichzelf een artikel verdient.

Ten derde, en daar is het me bij deze voornamelijk om te doen, is de Stationsstraat in Waarschoot, de Kasteeldreef in Lovendegem, noch de Dreef in Zomergem, de Meir in Antwerpen. Tot spijt van wie het om bedenkelijke redenen benijdt. Het verplichten van mondmaskers in een dorp, is simpelweg disproportioneel. Van de pot gerukt, om er de noorderburen nog eens bij te halen. Op de Meir kan men er misschien enigszins enthousiaste shoppers in toom mee houden, in de Dorpsstraat zijn die shoppers er niet. Althans zeker niet in vergelijkbare aantallen.

Uiteraard mag wie zich gemaskerd veiliger voelt op straat een exemplaartje dragen, maar verbied de brave dorpsbewoner niet zonder het huis uit te gaan. Wees redelijk en realistisch. Laat u niet vangen aan symboolpolitiek en hol de media-aandacht niet achterna. Daar, beste dames en heren bewindvoerders, is deze situatie veel te ernstig voor.

Gereden en gezien

f46b086e-1069-11ea-977b-60992e1bba35_web_scale_0.0771605_0.0771605__

Stel, u wint de kost in Gent. Of uw kroost loopt er school. Of u wint elders de kost en beschikt over geen kroost, maar u kent alsnog een of andere reden om de provinciehoofdstad nu en dan met een bezoek te verblijden. Dan ervaart u sedert enige tijd de ‘geneugten’ van het fameuze mobiliteitsplan. Riskeert u het zich om niet binnen de op het wegdek aangebrachte rode lijntjes te kleuren dan kijkt u naar het bekeurende vogeltje van een peperdure ANPR-camera. Als daarenboven het voertuig waarmee u de provinciehoofdstad poogt te bereiken wel een slokje brandstof lust of een aanzienlijke staat van dienst kent, bent u helemaal ‘gereden’. Kortom, de Arteveldestad kan voor de wetsgetrouwe automobilist veel zijn, maar hoegenaamd geen pretje.

Bijgevolg prijst u zich gelukkig dat uw stulpje zich in het landelijke Lievegem bevindt, waar lage-emissiezones, circulatieplannen en andere automobilistjennende fenomenen niet veel meer behelzen dan wat modieuze toekomstmuziek. Of toch niet? Menig dagblad meldde namelijk afgelopen week dat de rode draad doorheen de Lievegemse mobiliteit, u beter bekend als de N9, weldra (voor een deel) zal uitgerust worden met een heuse trajectcontrole. Een goede zaak? Ik vind van niet. Wel, integendeel.

Het invoeren van trajectcontroles geschiedt onder het zwierige mom dat naar de naam verkeersveiligheid luistert. Bijgevolg is de roeptoeter die zich waagt aan het bekritiseren ervan per definitie of een wegpiraat of een harteloos wezen dat die verkeersveiligheid ogenschijnlijk koud laat. Niks is in casu minder waar. Zonder de ‘bompa’s’ van deze wereld tegen de borst te willen stoten, word ik er achter het stuur al eens van verdacht een van hen te zijn. Snelheid is eigenlijk nooit mijn ding geweest. In dat opzicht vrees ik de toekomstige trajectcontrole in mijn spreekwoordelijke achtertuin dan ook geen ogenblik. Het schoentje wringt elders.

Het mom waaronder dergelijke controles worden ingevoerd, is namelijk een mom, een masker. Het verbergt andere drijfveren die de overheid inspireren tot het invoeren ervan. Andere drijfveren? Jazeker. Meer dan de veiligheid op onze wegen naar nieuwe hoogten te tillen, is het doel van de overheid u en mij op Orwelliaanse wijze de rekening te presenteren. Niet meer en niet minder dan het zoveel mogelijk centen en zoveel mogelijk informatie inwinnen, dat is de ware prioritaire reden van vadertje staat om het Vlaamse straatbeeld te bevuilen met buitenaards veel zogeheten slimme camera’s. De hardwerkende Vlaming zoveel mogelijk zuurverdiende centen uit de zakken jagen om het maken van broodnodige verplaatsingen te bemoeilijken, staat kennelijk hoog bovenaan het lijstje van de beleidsmakers.

U gelooft toch heus niet dat de nieuwe trajectcontrole uitsluitend zal gebruikt worden om snelheidsduivels aan te pakken? Men zal het u en mij ongetwijfeld garanderen, maar ik geloof er alvast geen jota van. De fiscus zal de ANPR-kiekjes als waren ze een heuse kaskraker bekijken, en de term kaskraker mag u daarbij vrij letterlijk nemen. Bovendien biedt de informatie die de beelden opleveren talloze andere mogelijkheden. Of men er ook gebruik van zal maken, interesseert me daarbij niet. Men kan het. En dat op zich is voor mij een probleem. Ik ben een koele minnaar van groteske woorden en overdreven vergelijkingen, maar dat DDR-achtige toestanden in toenemende mate onder veiligheidsvlag onze contreien komen binnengevaren, staat als een paal boven water.

Hoed u binnenkort dus voor een meekijkende overheid. Niet enkel als u te hard rijdt en niet enkel als u zich in Gent bevindt. Ook als u braaf binnen Lievegem toert, bent u spoedig gezien.

DE DWAALLIBERAAL

763-35

Beeldt u zich voor de gelegenheid even in dat als het om politiek-filosofische ideologieën gaat, in uw woonkamer het liberale klokje tikt. Dat u met andere woorden gewonnen bent voor een kleine overheid die grote vrijheid garandeert, efficiënte zuinigheid propageert en zich in haar dagelijks bestaan steevast op de kern fixeert. Een overheid die daarenboven aan niks trouwer is dan aan wat men vandaag ietwat kort door de bocht als ‘verlichtingswaarden’ omschrijft en voor het overige schuldenbergen en -putten liefst richting exit drijft.

Wel, dan bevindt u zich momenteel in een ietwat hachelijke situatie. Sterker nog, u heeft eigenlijk een probleem. Het blauwe huis waar u geacht wordt politiek onderdak te vinden, verwordt namelijk elke dag een tikje meer tot een modieuze villa waarvan de hippe glaspartijen omgekeerd evenredig zijn aan de inhoud. Veel kabaal, weinig verhaal. De uitzonderingen bevestigen uiteraard de regel, maar de vooraanstaande bewoners van het liberale optrekje tonen steeds vaker aan het noorden kwijt te zijn, of erger nog, het noorden nooit te hebben weten liggen. Gelet op de pijnlijke aard van dit verhaal houd ik het kort, maar ik vermoed dat woorden als ‘unitair’, ‘lage-emissiezone’ en ‘paars-groen’ belletjes doen rinkelen. Alarmbelletjes.

Voorzittersverkiezingen liggen echter in het verschiet en dus hoopt u als merkgetouw liberaal op opklaringen. Helaas komt u vast te stellen dat de kandidaten die zich tot op heden aanmeldden weinig welluidende melodietjes zingen. Slaan zij alsnog vernieuwende tonen aan, worden ze op het matje geroepen om vervolgens onder de vleugels van ‘gevestigde waarden’ braaf en in alle stilte ‘projecten’ te ondersteunen. Betreurenswaardig vindt u dat. En terecht.

Maar u heeft ooit geleerd dat optimisme een morele plicht is en u panikeert dus niet. U hoopt namelijk stilletjes dat er zich alsnog een kandidaat-voorzitter aanmeldt die orde weet te scheppen in het liberale huis. Die weet op welke plaats in het politieke landschap dat huis precies staat of hoort te staan. Die met andere woorden, vergeef me het sloganeske taalgebruik, de partij die uw kleur vertegenwoordigt opnieuw op de rails zal zetten.

Doch u beseft dat het hier een grondige renovatie betreft die niet door de eerste de beste tot een goed einde kan worden gebracht. U ziet ook in dat als die nuchtere vakman of -vrouw zich niet spoedig komt melden, het de komende jaren voor de blauwe partij geen Lachaertje wordt. Stiekem stelt u zich bovendien de vraag wat er staat te gebeuren als hij of zij zich wel meldt, maar bij de interne stembusgang moet onderdoen voor de kooskandidaat van de Melsenstraat? Moet u dan verhuizen? Of kiest u voor nieuwbouw en vraagt u een bouwvergunning aan?

Wordt ongetwijfeld vervolgd.

De Democratiemelodie

image

Een schrijven aanvangen met een citaat is zelden een slecht idee. Ditmaal echter geen klassiek filosoof of heroïsch staatsman uit vervlogen tijden, wel een betreurd Vlaams chansonnier. Treffender dan Louis Neefs’ legendarische woorden “oh, oh, ik heb zorgen”, wordt het namelijk niet. Het aanstekelijk deuntje waarmee Neefs in 1967 naar het Eurovisiesongfestival trok, is de geknipte hymne voor de Lievegemnaar die politiek en democratie nauw aan het hart heeft liggen en vaststelt hoe het met dat onlosmakelijk duo gesteld is.

Met de van onschatbare waarde symfonie ‘democratie’ wordt namelijk omgesprongen als was het een goedkoop nummertje uit een aftandse jukebox. Als heuse popsterren schitteren zwaarwichtige plannen in de media lang voor de gemeenteraad hen kon toejuichen of uitjoelen. Kwakkelige embargo’s worden door diegenen die ze zelf oplegden liederlijk met de voeten getreden. En adviesraden neuriën nauwelijks ingelicht voor dovemans oren.

De bedenkelijke trend die al enige tijd floreert in Kamer, Vlaams Parlement en de weinig vermeldenswaardige senaat doet nu ook, zij het in een andere toonaard, de Lievegemse gemeenteraad aan. Het meest gewichtige bestuursorgaan binnen de gemeente, het democratisch hart zo u wil, is een haast aandoenlijke praatbarak geworden. Een knikkende stemmachine voor de uitvoerende macht. Raadsleden die zich vermommen als mol in het koor springen daarbij het verst. Blind de partituur volgen en zich in de veilige ondergrond terugtrekken mocht er een zonderlinge kritische noot de kop opsteken, het is een garantiebewijsje om in de hoogste partijschuifjes te kunnen resideren. Wie vanuit zowel oppositie als meerderheid de stem laat horen, valt genadeloos uit de toon.

Met die taferelen op het podium gebeurende, vangt de democratieminnende Lievegemnaar als vanzelf aan met het neuriën van Louis Neefs’ tijdloze wijsje. De tijd lijkt dan ook rijp om een protestsong te componeren. Want welke politieke of ideologische melodie men ook het liefst hoort, deze valse noten kunnen niemand als muziek in de oren klinken. Hoe mooi plannen ook luiden, hoe harmonieus bepaalde ideeën ook mogen wezen, de democratische werking van lokale politiek de playlist uitgooien, is een signaal om de alarmbel te luiden.

De Dijkval

kris

Luidens een befaamd gezegde kan wie hoog vliegt laag vallen. Wanneer ik u kom te vertellen dat ene Kris Van Dijck dit afgelopen week aan den lijve mocht ondervinden, valt u vermoedelijk niet uit de lucht. Nauwelijks mocht de Desselse burgervader zich namelijk ‘eerste Vlaming’ noemen of de spreekwoordelijke bal ging aan het rollen. U kent de bedenkelijke feiten die op de mans kerfstok vertoeven en denkt er ongetwijfeld terecht het uwe van. Doorbomen over ongepaste gedragingen aller aard brengt echter weinig aarde aan de dijk en laat ik met graagte aan de verzamelde pers over. Waar ik daarentegen wel iets over te vertellen heb, is de wijze waarop de geplaagde N-VA’er publiek geëxecuteerd werd.

Enige vorm van spontane walging bij de escapades van Van Dijck is niet onbegrijpelijk en mogelijk zowaar terecht. Sta me echter toe te schrijven dat gelijkaardige verschijnselen me overvallen bij het aanschouwen van de handelwijze die bepaalde media bij dit merkwaardige schouwspel aanwenden. Zonder de burgemeester van Dessel te willen verdedigen, vind ik het op zijn minst bedenkelijk dat de man op een dergelijk zure manier wordt aangepakt. Het is makkelijk trappen wanneer iemand al op de grond ligt. En hoewel er misschien terecht wordt getrapt, stel ik me de vraag of dit de media zijn en bij uitbreiding de samenleving is die we in de toekomst willen.

Om een lang verhaal ietwat in te korten en niet in herhaling te vallen met datgene wat reeds in menig tweet en opiniestuk verscheen, houd ik het bij dit kort pleidooi voor een tikkeltje meer hoffelijkheid in ‘medialand’. Dat sensatie een noodzakelijk kwaad is teneinde als medium te overleven kan ik me inbeelden en dat stinkende zaakjes steevast aan het licht moeten worden gebracht, staat als een paal boven water. Maar dat kan ook beschaafd en met wat men manieren pleegt te noemen. Winston Churchill wist ooit te vertellen dat tact de kunde is om iemand naar de maan te wensen en hem of haar daarbij te doen uitkijken naar de trip. Schrijf alles en licht het publiek in wanneer er wordt gesjoemeld, gegraaid en gemaaid. Maar kraak geen mensen. Mensen zijn mensen.

Misschien, zowaar naar alle waarschijnlijkheid, valt deze boodschap in ‘dovemansoren’. Maar nu en dan moet er een mens iets van het hart. Enigszins ‘fout’ sluit ik daarom af met befaamde woorden van ‘The Voice’. “My friend, I’ll say it clear. I’ll state my case of which I’m certain.”

HET BORDENBELANG

OLYMPUS DIGITAL CAMERA

U kent ze wel, de gemeentelijke verkiezingsborden. Aan de vooravond van om het even welke stembusgang vinden deze houten mastodonten steevast hun weg naar enkele in het oog springende locaties doorheen de gemeente. Kandidaten kunnen er binnen de voorziene lijntjes naar hartenlust hun smoelwerk etaleren. In Lievegem worden ze in de aanloop naar de parlementsverkiezingen van 26 mei echter niet meer van stal gehaald. “Lelijk en niet van deze tijd”, klinkt het. Nochtans schrijf ik de openbare aanplakborden een nobele en democratische functie toe.

Allereerst vind ik de woekerende wildgroei van propaganda op privéterrein aanzienlijk lelijker en minder van deze tijd dan gecentraliseerde openbare borden. Door het ontbreken van die borden enerzijds en het uitblijven van afspraken onder politici anderzijds, is de kleurrijke kakofonie echter een zogeheten noodzakelijk kwaad. Kandidaten die er bewust voor willen kiezen om de straat ‘proper’ te houden, worden alsnog gedwongen er hun affiches te poneren. Zich kenbaar maken, is namelijk vrij cruciaal bij het kandideren voor een zitje in het halfrond.

Ten tweede is aanplakken de goedkoopste en daarmee meest democratische vorm van verkiezingspubliciteit. Kleine partijtjes of kandidaten met een bescheiden budget delven in de huidige situatie het onderspit en worden ertoe gedwongen ofwel tot het bordencircus op private grond toe te treden ofwel tot het afwezig blijven tussen de anderen in het straatbeeld. Nochtans stel ik vast dat alle partijen de democratie een warm hart schijnen toe te dragen. Een merkwaardige twist.

Uiteraard heeft het beschreven fenomeen een kostenplaatje en vergt het enige inspanning van de gemeentediensten. Wanneer echter gekozen wordt voor een snuggere aanpak en een beperkte hoeveelheid borden, ben ik er zeker van dat beide aspecten wel te overzien zijn. Zeker wanneer men zowel het democratisch als esthetisch belang ervan in het achterhoofd houdt.

Tot slot wil ik nog een ideaalbeeld schetsen. Daarin praten politici voorafgaand aan de campagne met elkaar en komen ze tot een verantwoord en volwassen ‘gentlemen’s agreement’. Kijkt u bijvoorbeeld naar het mooie Kluisbergen, waar over de partijgrenzen heen een akkoord bereikt werd over het in toom houden van ‘politiek onkruid’ langsheen de weg. Men kiest er ginds voor enkel affiches op te hangen aan het raam. Sober, budgetvriendelijk en proper. Al dient men dan natuurlijk de trots even aan de kant te zetten. Een andere dan de straatkant, weliswaar…

De Flitsflop

flitspaal

Dat verkeersveiligheid hoog in het politieke vaandel wordt gedragen, is zonder meer een nobel gegeven. Wanneer meneer of mevrouw automobilist echter door een tomeloze heksenjacht wordt geplaagd, is enig getoeter niet misplaatst. Vandaag in het vizier vertoeven de talloze flitspalen die als mottige kerstlampjes het Vlaamse wegennet sieren en meer dan ooit aan vadertje staats rad van fortuin zwieren.

U kon er deze morgen niet naast lezen. ‘België telt het hoogste aantal flitspalen per 1000 km² van heel Europa.’ Wie de vele artikelen even doorflitst, leert dat enkel het kleine Malta ons op de hielen zit, een feit dat gelet op de beperkte oppervlakte van het zonnige dwergstaatje niet zo verwonderlijk is. Veiligheid troef? De 2076 plaagpalen dienen mijn inziens toch iets kritischer benaderd te worden.

Wanneer namelijk cijfers ten tonele verschijnen, wordt het bijzonder interessant enkele vergelijkingen te maken. Hoe is het met de rest van Europa gesteld als het om flitscijfers gaat? En staan meer flitspalen ook garant voor minder verkeersslachtoffers?

Het deuntje klinkt als volgt. De cijfers die naar het aantal palen peilen, tonen aan dat België 67,6 exemplaren per 1000 km² telt. Nederland, Zwitserland en Duitsland, om maar enkele voorbeelden te noemen, gaan met respectievelijk 23,7; 16,7 en 12,8 stuks per 1000 km² alvast minder flitsend door het leven. Helemaal aan de onderkant van het lijstje bengelt Zweden dat met amper 3,8 stuks per 1000 km² opvallend schaars met flitspalen omspringt.

Andere recent in het nieuws verschenen cijfers, betreffen het aantal verkeersdoden in Europa. Wanneer we dezelfde landen onder de loep nemen, steekt hier een merkwaardig fenomeen de kop op. Hoewel ons Belgenlandje volgens de statistieken van de ‘European Transport Safety Council’ een heuse inhaalbeweging maakt, blijft het aantal jaarlijkse dodelijke verkeersslachtoffers (55 per miljoen inwoners) in ons land beduidend hoger dan het Europese gemiddelde (50 per miljoen inwoners). Terwijl Nederland, Zwitserland, Duitsland en Zweden het met respectievelijk 36, 27, 38 en 25 verkeersdoden per miljoen inwoners aanzienlijk beter doen dan het flitsgrage België.

Uiteraard is enige nuance hier op zijn plaats. Doch beweren dat meer palen per definitie meer veiligheid met zich meebrengen, is hoe dan ook onjuist. Een stelling die door de politiek nochtans al te graag wordt getoeterd.

Flitsen? Ja, als de verkeersveiligheid erbij gebaat is. Nee, als enkel de staatskas er wel bij vaart. Het neerpoten van flitspalen hoort weloverwogen te gebeuren waar het nodig en nuttig is, niet om als rinkelende jackpot voor vadertje staat te dienen. Daarnaast horen ze aangekondigd te worden zoals dat in het buitenland reeds gebeurt. Het doel hoort namelijk te wezen dat het verkeer vertraagt om gevaar te voorkomen, niet zoveel mogelijk flitsboetes uitdelen. Verder is het ook een interessante piste om de palen met timers uit te rusten. Zo brengt het ’s nachts flitsen op een lege snelweg op ergernis na geen kluitje aarde aan de veiligheidsdijk.

Kortom, beste dames en heren politici, wees zuinig, verstandig en eerlijk in de omgang met uw geliefkoosde meetapparatuur. Dat u daar al eens uit de bocht gaat, staat namelijk als een flitspaal boven water.

RDV